Borstvoeding in Zeeland 2003
Samenvatting
Aanleiding
De toenemende aandacht van de overheid voor het belang van borstvoeding voor de gezondheid en een recentelijk gestart onderzoek naar borstvoeding en overgewicht - waaraan de GGD Zeeland meewerkt - waren voor de GGD Zeeland aanleiding een inventarisatie te doen naar borstvoeding in Zeeland: hoe zijn de borstvoedingscijfers in Zeeland en wat zijn naar de mening van de Zeeuwse instellingen en organisaties die zijn betrokken bij de borstvoedingszorg, de belangrijkste oorzaken voor de lage borstvoedingscijfers, de belangrijkste knelpunten en mogelijke oplossingen?
Gezondheidseffecten borstvoeding
Borstgevoede kinderen hebben een lager risico op allerlei ziekten en aandoeningen, ook op latere leeftijd. Vanwege de vele positieve gezondheidseffecten van borstvoeding adviseert de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) exclusieve borstvoeding tot een leeftijd van zes maanden.
Borstvoedingscijfers in Nederland en Zeeland
In Nederland wordt in vergelijking met andere westerse landen weinig borstvoeding gegeven. Met vier maanden krijgt in Zweden nog 70% van de baby’s volledige borstvoeding, in Nederland slechts een kwart. Uit de spaarzame cijfers die op provinciaal niveau beschikbaar zijn, blijkt dat in Zeeland minder vaak dan gemiddeld in Nederland borstvoeding wordt gegeven. Zo’n 19% van de baby’s van zes maanden krijgt in Zeeland borstvoeding (al dan niet gecombineerd met flesvoeding) tegen 25% gemiddeld in Nederland. Een registratie waarbij regelmatig op systematische wijze borstvoedingscijfers op Zeeuws niveau worden verzameld, is wenselijk.
Factoren die het geven van borstvoeding beïnvloeden
Met name het opleidingsniveau beïnvloedt de kans dat een baby borstvoeding krijgt. Hoog opgeleide moeders geven vaker borstvoeding dan laag opgeleide moeders. De belangrijkste motieven voor moeders om te stoppen met borstvoeding zijn te weinig melk, te weinig praktische vaardigheden om borstvoeding te geven en de moeilijke combinatie met werk.
De rol van professionals bij het besluit om te stoppen met borstvoeding is vooral in de eerste week groot: in 65% van de gevallen speelt een professional (met name verpleegkundige ziekenhuis en kinderarts) een belangrijke rol bij het besluit kunstvoeding te gaan introduceren (bij zuigelingen die ooit borstvoeding hebben gekregen).
Succesfactoren om door te gaan met borstvoeding zijn: een goede begeleiding de eerste dagen door de kraamverzorgende of kraamverpleegkundige, steun van de partner en de omgeving en de eigen-effectiviteit: bevestiging zoeken en vinden bij onzekerheid.
Inventarisatie bij Zeeuwse instellingen
Gegevensverzameling
Vertegenwoordigers van Zeeuwse instellingen die betrokken zijn bij de borstvoedingszorg, zijn de volgende vragen gesteld: wat zien zij als mogelijke oorzaken voor het lage borstvoedingscijfer in Nederland, wat zien zij als mogelijke oorzaken voor het lage borstvoedingscijfer in Zeeland, welke knelpunten komen zij tegen bij de begeleiding en ondersteuning van borstvoeding en wat zou er volgens hen moeten gebeuren om het borstvoedingscijfer in Zeeland te verhogen?
Voor de inventarisatie zijn benaderd: de OKZ-afdelingen van de thuiszorgorganisaties, kraamafdelingen van de ziekenhuizen, gynaecologen, verloskundigen, kraamzorginstellingen, borstvoedingsorganisaties en een lactatiekundige.
Oorzaken lage borstvoedingscijfers in Nederland en Zeeland en ervaren knelpunten volgens Zeeuwse instellingen
De oorzaken voor het lage borstvoedingscijfer in Nederland en Zeeland en de ervaren knelpunten kunnen grofweg in drie aandachtsgebieden worden onderverdeeld:
Gezondheidszorg/zorgverleners:
- ontbreken van een eenduidige advisering naar moeders;
- ontbreken van een regionaal borstvoedingsprotocol of- beleid;
- ontoereikende kennis en vaardigheden t.a.v. borstvoeding bij zorgverleners;
- ontbreken van continuïteit in de borstvoedingszorg;
- ontbreken van een lactatiekundigepraktijk (lactatiekundige die er is verleent geen consulten);
- voorlichting van zorgverleners over borstvoeding onvoldoende;
- te weinig tijd voor begeleiding van moeders.
Moeders/ouders:
- onvoldoende voorbereiding van de ouders op het geven van borstvoeding;
- onzekerheid bij de moeder over de borstvoeding, weinig zelfvertrouwen.
Maatschappij/omgeving:
- moeilijke combinatie werken – borstvoeding;
- borstvoedingsonvriendelijk klimaat in Nederland;
- onbekend of negatief imago borstvoedingsorganisaties.
Oplossingsrichtingen
Naar aanleiding van de gesignaleerde knelpunten en oplossingen die de instellingen zelf genoemd hebben, zijn de volgende oplossingsrichtingen denkbaar:
- Meer samenwerking en afstemming tussen instellingen lijkt onontbeerlijk. Dit kan gerealiseerd worden door het oprichten van een samenwerkingsverband borstvoeding waarvan in Nederland al meerdere succesvolle voorbeelden zijn.
- Meer (bij)scholing voor zorgverleners, bij voorkeur in onderlinge afstemming. Initiatieven voor gezamenlijke bijscholingen zijn er al.
- Zorgverleners - die hiervoor belangstelling hebben – in de gelegenheid stellen de opleiding van lactatiekundige te volgen. Op dit moment is in Zeeland één persoon voor lactatiekundige in opleiding.
- Meer en betere voorlichting aan (aanstaande) moeders. Ook bij voorkeur in onderlinge afstemming. Het is raadzaam vooraf onderzoek te doen naar de meest effectieve methode van borstvoedingsvoorlichting.
- Mogelijkheid onderzoeken om in Zeeland ‘peer counseling’ in te zetten in samenwerking met borstvoedingsorganisaties. Peer counseling is een effectieve methode om het zelfvertrouwen van de moeder te vergroten en daarmee de kans dat ze borstvoeding blijft geven. Met name effectief bij lage SES-groepen.
- Oplossing voor lastige combinatie werken-borstvoeding is niet makkelijk te geven. Meer onderzoek is nodig naar waar hierin het probleem voor de moeder precies ligt.
- Tegen het maatschappelijk-culturele probleem van het borstonvriendelijk klimaat in Nederland is weinig te doen op lokaal niveau. Goede informatievoorziening en ondersteuning aan moeders blijft belangrijk.
- Negatief of onbekend imago borstvoedingsorganisaties lijkt vooral een zaak van deze organisaties zelf. Deze organisaties betrekken bij een eventueel samenwerkingsverband.
Conclusie en aanbevelingen
Gezien de vele positieve gezondheidseffecten van borstvoeding en het lage borstvoedingscijfer in Zeeland (zoals in de rest van Nederland) zal een verhoging van het percentage moeders dat borstvoeding geeft een aanzienlijke gezondheidswinst kunnen opleveren.
De inventarisatie bij de Zeeuwse instellingen levert voldoende aanknopingspunten op voor verdere acties om het borstvoedingspercentage in Zeeland te verhogen. Samenwerking en afstemming zijn hierbij de sleutelwoorden. Het oprichten van een samenwerkingsverband kan een middel zijn om dit te bereiken. Naast randvoorwaarden zoals bereidheid tot het inzetten van menskracht, tijd en middelen en het vooraf duidelijk vastleggen van doel, taken en verantwoordelijkheden is een duidelijk regie nodig. De GGD Zeeland is bereid deze taak op zich te nemen mits hier draagvlak voor is uiteraard. Hoewel de GGD Zeeland niet direct belanghebbende is op dit terrein (zorg voor 0-jarigen valt niet onder de GGD), is zij dat wel ten aanzien van de effecten van borstvoeding op de langere termijn. Borstvoeding werkt immers preventief tegen een aantal ziekten en aandoeningen en draagt daarmee bij aan gezondheidsbevordering van de Zeeuwse bevolking.
Het volledige rapport kunt u hier downloaden.


